L’amico Fritz

De held van dit verhaal heet Frits Kobus. Vandaag wordt hij vijf en dertig jaar. En al die vijf en dertig jaar woont hij al bij zijn moeder.
Vroeger heeft hij wel geprobeerd een vrouw te vinden, maar dat is nooit gelukt. Hij is te verlegen en als een vrouw wat tegen hem zegt, dan krijgt hij een rood hoofd, grijnst en mompelt iets onverstaanbaars. Of hij zegt de verkeerde dingen. Hij vraagt haar bijvoorbeeld: ‘Hou je van schaken?’ ‘Dat ligt eraan,’ antwoordt zij. Ze bedoelt: Het ligt eraan met wie, maar dat zegt ze liever niet. En hij zegt: ‘Je houdt van schaken of je houdt niet van schaken, het een of het ander.’ En dan moet ze kiezen. Frits heeft nog niet ontdekt dat vrouwen een hekel hebben aan kiezen. Toch is Frits heel slim. Hij is al professor aan de universiteit. Op zijn vijf en dertigste! Dat komt omdat hij zo precies is. Dat vage en onduidelijke gedoe van vrouwen, daar wordt hij zenuwachtig van. Daarom heeft hij besloten dat vrouwen onmogelijke wezens zijn en hij ongeschikt voor het huwelijk.
Ter gelegenheid van zijn verjaardag heeft Frits’ moeder een rabarbertaart voor hem gebakken. Zijn lievelingstaart. En zijn beste vriend heeft hem kaartjes voor de opera gegeven. Niet dat hij een liefhebber van opera is. Hij is weleens met zijn moeder naar de opera geweest en toen is hij al onder de eerste acte in slaap gevallen. Zijn moeder moest hem weer wakker porren. Wat een aanstellerij! De held ligt stervend op de grond in de armen van zijn geliefde en dan zingen ze samen nog een duet van tien minuten! Waarom zou je je tijd besteden aan zulke onzin?
De moeder van Frits is dol op opera. Ze ziet er zelf ook uit als een operazangeres, fors gebouwd, dikke armen en een grote boezem waarvan ze zoveel mogelijk laat zien. Onder haar heerszuchtige blik en haar luide, dwingende stemgeluid voelt Frits zich nog steeds een kleine jongen, ook al is hij professor aan de universiteit. Die kaartjes voor de opera zijn eigenlijk een grapje. De opera heet namelijk L’amico Fritz. De componist is Pietro Mascagni. ‘L’amico Fritz!’ Zijn vriend lacht erbij en herhaalt het wel twee keer. ‘L’amico Fritz!’ Frits lacht maar wat mee, maar niet van harte.
Omdat hij de kaartjes onmogelijk kon weigeren, zit hij dus op een avond in de opera. Ze hebben een logeplaats op het eerste balkon. Frits zit half verscholen achter de imposante gestalte van zijn moeder die met een toneelkijker het publiek inspecteert zoals Napoleon zijn troepen voor de slag bij Waterloo.
Ik zal zo dadelijk wel weer in slaap vallen, denkt Frits. Maar voor het zover is, komt er een jonge zangeres het toneel op en begint aan haar aria. Ze heeft een lelieblanke huid, zwarte ogen, zwart haar en bloedrode lippen. Frits is plotseling klaar wakker. Hij kijkt vlug in het programmablad. Haar naam is Lina Gambardella. Wat een vrouw! En wat een stem! Een glasheldere sopraan die kwinkeleert als een leeuwerik hoog in de lucht. Wat ze zingt kan Frits niet verstaan, behalve één woord: ‘Amore, amore!’ Zijn hart begint heftig te bonzen en hij voelt een stekende pijn in zijn borst en linkerarm. Ook dat nog, denkt hij. Fritz heeft namelijk al sinds zijn vroegste jeugd een zwak hart. Hij is doodsbenauwd voor een hartaanval en daardoor bonst zijn hart nog veel harder. Maar in plaats van zijn moeder aan te stoten en om hulp te vragen, staart hij omlaag naar de knappe zangeres daar in de verte en denkt: Als ik dan toch een hartaanval moet krijgen, dan is dit tenminste het laatste dat ik gezien en gehoord heb. O, vrouw van mijn dromen! En hij vergeet de pijn en zijn bonzende hart. Dit alles speelt zich af achter de brede rug van zijn moeder die van zijn opwinding niets heeft gemerkt.
In de dagen daarna denkt Fritz aan niets anders dan aan zijn betoverende zangeres. Hij is zo vol van haar dat hij zelfs zijn goede vriend in vertrouwen neemt. Die luistert naar hem met een toegeeflijke glimlach en niet lang daarna noemt iedereen hem ‘l’amico Fritz’.
Er gaan enkele jaren voorbij waarin Fritz geen enkele poging doet om de mooie Lina op te sporen. Dat zou toch op niets uitlopen, denkt hij. Dan maar liever een droom. Maar de droom blijft hem kwellen. En op een dag besluit hij haar taal te leren. En dan ga ik haar zoeken, zegt hij tegen zichzelf, in Venetië of op Capri of waar dan ook, tot ik haar gevonden heb. En dan neem ik haar mee in een gondel en verklaar ik haar mijn liefde onder het getokkel van een mandoline.
Wanneer op de eerste avond van de cursus de lerares het lokaal binnenkomt, denkt Frits een spookverschijning te zien. Daar staat ze, voor het bord, precies zoals hij haar jaren geleden in de opera heeft gezien. En nu niet vanuit de verte, maar vlakbij. Dezelfde zwarte, fonkelende ogen, dezelfde bloedrode lippen, hetzelfde ravenzwarte haar. Sneeuwwitje. Alleen haar stem klinkt anders, lager en heser. Maar dat kan komen omdat haar keel ruw is geworden van al dat zingen. Het hart van de arme Fritz bonkt weer net zo als toen. ‘Sneeuwwitje,’ mompelt hij zacht voor zichzelf. En in plaats van te luisteren naar wat ze zegt, want dat kan hij toch niet verstaan, ziet hij zichzelf op een wit paard door een donker woud galopperen, op weg naar zijn Sneeuwwitje. Om haar te redden uit de handen van die lelijke dwergen die haar in een glazen kist hebben gestopt. Of was het Doornroosje die in de glazen kist lag. Hij weet het niet meer precies. Fritz doet geweldig zijn best om Sneeuwwitjes taal te leren, maar het valt niet mee. Hij kan er maar niet achter komen wat nou precies de regels zijn. Dezelfde letter klinkt de ene keer zus en de andere keer weer zo. En dan die werkwoorden. Dat lijkt toch nergens op. Geen touw aan vast te knopen. Er zijn meer uitzonderingen dan regels. En als hij vraagt wat een woord betekent, dan is het antwoord: ‘Dat ligt eraan.’ Precies wat dat meisje jaren geleden tegen hem zei. ‘Dat ligt eraan.’ Waaraan? Hoe kun je een taal leren als de woorden de ene keer dit en de andere keer dat betekenen? De verwarring in zijn hoofd wordt alsmaar groter en wanneer Sneeuwwitje hem iets vraagt, wordt hij helemaal warm, zoals een vrouw in de overgang. Hij krijgt een rood hoofd en brabbelt iets onverstaanbaars. Hij, Frits Kobus, professor aan de universiteit! Wat moeten de anderen wel niet van hem denken. De schaamte over zijn onmacht wordt alsmaar groter. En daarbij komt nog de ergernis over zijn medecursisten, die zeven dwergen die zich gedragen als kleine kinderen. Die niet opletten en er doorheen kletsen als Sneeuwwitje iets uitlegt. Die met hun rug naar haar toe gaan zitten en flauwe grapjes maken, die hij niet begrijpt. Die een halve les lang de slappe lach hebben over het woord ‘broccoli’. Die lachebek Francesco is de ergste van allemaal. Francesco Broccoli, zoals Fritz hem in gedachten noemt, die altijd alles weet en die Fritz zit uit te lachen als hij weer eens niet uit zijn woorden komt. Wat een vervelend, pedant kereltje! En de manier waarop hij naar Sneeuwwitje kijkt. Alsof ze van hem is. Maar dat zal hem nog vies tegenvallen.
Op een avond – het heeft al een week lang geregend en het lijkt wel of de hemel nooit meer zal opklaren – probeert Sneeuwwitje haar sombere stemming te verdrijven door over haar land te vertellen, waar altijd de zon schijnt, en over haar geliefde die Domenico heet. Haar prins op het witte paard. Hij werkt in Zwitserland in een hotel, en zal nu gauw komen om met haar te trouwen. Nou, dat gaat dus mooi niet gebeuren, denkt Fritz. Ik zal die Domenico wel eens in Zwitserland gaan opzoeken. Ik ben een goeie skiër. Zodra ik hem heb gevonden, pap ik met hem aan. En op een dag gaan we samen skiën en dan bots ik per ongeluk tegen hem op zodat hij in het ravijn dondert. Opgeruimd staat netjes. En dan kom ik terug en vertel Sneeuwwitje dat haar prins is verongelukt. Dat ik nog heb geprobeerd hem te redden, maar helaas, ik kwam net te laat. Dan gaat ze huilen en ik neem haar in mijn armen en zal haar troosten. Net zolang tot ze niet meer verdrietig is . En dan wordt ze vanzelf verliefd op mij.
En inderdaad, op een dag is l’amico Fritz verdwenen. Zijn stoel in het klaslokaal blijft leeg en geen van de dwergen weet waarom hij niet meer komt. Sneeuwwitje krijgt nog wel een sms van hem. Lieve Lina, ik hou van je, staat er, wil je met me trouwen? Sneeuwwitje stuurt meteen een sms terug. Beste Fritz, ik heet geen Lina, ik heet Elisa. Waar ben je?
In de dagen daarna heeft Elisa alsmaar een vreemd voorgevoel dat er iets akeligs gaat gebeuren. Vrouwelijke intuïtie, zou Fritz zeggen, wat een flauwekul! Maar daar vergist hij zich toch in. Want na enkele weken verschijnt er een advertentie in de krant met de volgende inhoud:
Mijn zoon, mijn zoon, waarom hebt ge mij verlaten?
In de bloei van zijn leven weggerukt tijdens een tragisch ongeval in de Zwitserse Alpen. Prof. dr. mr. F.M.J. Kobus (Frits), hoogleraar mededingingsrecht aan de Universiteit van Utrecht. 1977-2012
Helena Augusta Kobus – Boll
En nog weer enkele weken later hoort Elisa van een van haar cursisten wat er is gebeurd. Frits is samen met een Italiaanse vriend buiten de piste gaan skiën en door nog onbekende oorzaak in een ravijn gevallen. Die vriend heeft nog geprobeerd hem te redden, maar dat was helaas onmogelijk.
‘En weten ze wie die Italiaanse vriend was?’ vraagt Elisa.
‘Ja. Ene Domenico…’

© Ferenc Schneiders 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.