Een kleine reus

Tekening Een kleine reus.docx

Er was eens een hele kleine reus. Hij was erg ongelukkig, want omdat hij zo klein was, kon niemand zien dat hij een reus was. De mensen schenen hem niet op te merken. Ze liepen langs hem heen alsof hij er niet was. Zie je wel, dacht hij dan, niemand ziet me zitten. En dan ging hij weer door met ongelukkig zijn. Maar omdat op de duur alles went, vergat hij weleens hoe ongelukkig hij was en dan vroeg hij zich af waarom hij toch zo klein was. Want ook al was hij klein, dom was hij niet. Hoe kon hij nou klein zijn, als hij een reus was? Daar had hij al vaak over nagedacht en op een dag wist hij opeens het antwoord. Hij was zo klein omdat hij betoverd was. Ergens op de wereld moest een boze fee zijn, die aan zijn wieg had gestaan en hem had betoverd.

Toen stond hij op en trok de wijde wereld in, want als hij ooit een echte, grote reus wilde worden, dan moest hij de boze fee vinden en haar dwingen de betovering te verbreken. De kleine reus reisde van het ene land naar het andere, te voet, te paard en met de trekschuit, maar nergens vond hij de boze fee. Doodmoe van al het reizen kwam hij tenslotte weer thuis en ging zitten nadenken. De boze fee hield zich ergens verborgen, misschien had ze zichzelf met een toverspreuk onzichtbaar gemaakt. En nu de afleiding van het reizen voorbij was en de hoop vervlogen dat hij haar ooit zou vinden, was hij nog ongelukkiger dan daarvoor. Dat ging zo heel lang door. De tijd verstreek en de reus werd ouder, maar groter werd hij niet.

Op een dag zat hij op een terras in de zon. Zonnewarmte dat was het enige dat hem nog kon troosten. Aan een tafeltje verderop zat een mevrouw koffie te drinken. Het was een gewone mevrouw, een beetje mollig, met kleine blonde krulletjes, een bril en een bloemetjesjurk. Ze zat daar al een hele tijd en de kleine reus dacht: Die is alleen, net zoals ik, maar toch ziet ze er niet ongelukkig uit. En toen deed hij ineens iets wat hij nooit deed en eigenlijk ook niet durfde. Hij ging naar haar toe en vroeg of hij even bij haar kon komen zitten. Waarom hij dat deed wist hij zelf niet. De mevrouw keek hem vriendelijk aan en even later zaten ze samen te praten. De kleine reus vertelde haar over zijn mislukte zoektocht. Het leek wel of hij haar al heel lang kende, zo prettig en vertrouwd voelde hij zich.
Toen hij was uitverteld, zei de mevrouw: – Bij je geboorte heeft de boze fee iets gezegd dat je ongelukkig heeft gemaakt.
– Wat dan? vroeg de kleine reus.
– Ze zei: Het was beter geweest als je niet geboren was.
De kleine reus schrok. En hij vroeg zich af hoe ze dat kon weten.
– Ik kan de vloek van de boze fee niet ongedaan maken, zei de mevrouw. Dat had ik bij je geboorte moeten doen. Maar ik vond het zo erg wat de boze fee zei, dat ik daar helemaal niet aan gedacht heb.
De kleine reus kreeg tranen in zijn ogen. – Wat moet ik doen, zei hij met een trillende stem. Ik kan toch zo niet verder leven?
– Misschien is er een oplossing, zei de mevrouw. Maar dat kost tijd.
– Wat dan?
De mevrouw glimlachte geheimzinnig. – Je moet groeien, zei ze.
Ja, dat probeer ik al jaren, maar dat lukt niet.
De mevrouw klikte haar handtas open en haalde er iets uit. Ze hield het tussen duim en wijsvinger. Het was een erwt.
– Die moet je opeten, zei ze. Maar je mag hem niet koken. Een maand nadat de kleine reus de erwt had ingeslikt gebeurde er iets vreemds. Hij voelde hoe er binnenin hem iets begon te groeien. Eerst was het zo klein als die erwt, maar langzaamaan werd het groter en groter, het groeide alsmaar door als een pompoen en tenslotte voelde de kleine reus, dat het niet meer paste, het was zo groot dat hij het niet meer kon tegenhouden en met een geweldige knal sprong het tevoorschijn. Hoe het eruitzag en wat het was, dat heeft de kleine reus nooit geweten, want op hetzelfde ogenblik spatte hij uit elkaar in duizend stukken, zoals een schaal met pudding die op de tegelvloer kapot valt.
Zijn ene oog schoot hoog de lucht in en dat werd de zon, zijn andere oog schoot hoog de lucht in en dat werd de maan. De zon was zijn vurige oog en de maan was zijn dromerige oog. Zijn harige borst werd een steppe begroeid met gras en zijn schouders en knieën werden kale bergen. Toen kon eindelijk iedereen zien hoe groot de reus was, alleen zag hij het zelf niet meer.
En wanneer de zon fel brandt, dan zeggen de mensen: – De reus is boos!
En als de zon ondergaat en de hemel wordt rood, dan zeggen ze: – Dat is het bloed van de reus.

© Ferenc Schneiders

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.