De schoolbank

Brugklassertje

De boeken puilen uit m’n tas
want ik ga naar de eerste klas
van de s.g. prinses Margriet.
Ik voel me al een hele piet.

Daar fietsen Floor en Leontien,
die zal ik nu niet vaak meer zien.
Toch was ’t pas nog heel dik aan
maar zij zijn naar een andere school gegaan.

Nu moet ik leren leren leren,
van mevrouwen en meneren,
dikke, dunne, kale, strenge,
aardige, baardige en hele enge.

Daar gaat de bel,
een chocomel,
boterham eten
en even lekker keten.

En dan weer dwars door het gedrang
van duizend kinderen in de gang.
Ze drukken je soms half dood
want jij bent klein en zij zijn groot.

Je zit hier uren op je kont.
Hé, let ‘ns op en hou je mond.
Je wordt zo duf als een konijn
dus trap je af en toe wat gein.

Maar je moet leren leren leren
van mevrouwen en meneren.
Kijk ze praten praten praten,
waar moet ik al die woorden laten?

Hé daar, jij,
herhaal ‘ns wat ik zei
en hou op met dat gewiebel.
Ja, maar meneer, ik heb de kriebel.

Ik doe m’n huiswerk bij het raam
en zie Michiel van de buren staan.
Hé, kom je ballen, hé, Annemarie.
Nee jòh, ik ben bezig met het werkwoord to be

en a plus b in het kwadraat.
Ik zit te staren, het wordt laat.
Toppop is allang voorbij
en alle ouders hebben vrij.

Zij zitten te niksen, niksen, niksen.
Ik worstel met eieren en iksen.
Dus als het gaat over presteren
dan kunnen ze van mij wat leren.

Ik wil niet meer,
m’n kop doet zeer.
Even swingen
en door de kamer springen.

Soms denk ik aan de zesde klas
toen ik een van de grootste was.
Meester Dolf ga mij een hand
en zei: jij bent een havoklant.

Dus doe je best, dag Annemarie,
ik hoop dat ik je nog ‘ns zie.
Het was de laatste dag van ’t jaar,
ik voelde me blij maar ook wel raar.

Nu moet ik leren, leren, leren
van mevrouwen en meneren,
dikke, dunne, kale strenge,
aardige, baardige en hele enge.

Ik wil niet meer,
m’n kop doet zeer,
kramp in m’n billen,
mag ik even gillen?

——————————————————

O jee, o jee

Vanmiddag reed er in Schiedam
een trein die de benen nam,
de benen nam een straatje om,
de weg was recht de weg was krom.
Geen rails meer en geen discipline,
alleen een flinke slok benzine.
Daar reed-ie mee de aarde rond
van Scheveningen tot de Sont.
En wij reden met hem mee
langs de Waterweg naar zee.
De zee die lag in alle hoeken
met haar buik vol oliekoeken
en zure haring in ’t zand.
De zee de zee die had ’t land.

O jee o jee
daar komt de ME
en pompt en pompt
het water uit de zee.

En wij reden vliegensvlug
naar de ouwe tijd terug
maar de mannen van stavast
zaten in de kelderkast.
Willem de Zwijger liep te malen
tussen polders en kanalen
en Lodewijk Napoleon
die was zo zat als een kanon.
Hij riep: Dit koninkrijk is ziek,
we worden weer een republiek.
En op de grote rivieren
zagen we vier Batavieren.
Die zongen op verbaasde toon:
Is het aan de Rijn zo schoon?

O jee o jee
de Rijn heeft diarree.
Hé hé wat gek
de Rijn de Rijn is lek.

De tien de tiendelige breuk
vond het helemaal niet leuk.
Dus reden we toen naar Den Haag.
Den Haag had kramp in z’n maag
want de grootste gemene deler
en z’n vriend de vieze vergeler
deden heimelijk hun werk
in Krimpen en in Lekkerkerk.
Grijp ze, riepen wij in koor
en die twee er vlug vandoor.
Bijna hadden we ze te pakken
toen de zon in de zee zou zakken.
Kom, zei de trein, we gaan naar bed.
Wie wil er nog een bruistablet?

O jee o jee
daar heb je de ME
die spuit en spuit
ons met z’n lange snuit
O jee o jee
daar heb je de ME
die spuit en spuit
ons zo de wereld uit.

—————————————————

Als kind was je heel boos
op deuren en op hekken.
Je wilde erop uit
de wereld gaan ontdekken.

En over een nacht ijs
liep je in zeven sloten.
Je kon niet vaak genoeg
je kop ergens aan stoten.

Ze zeiden: ach dat kind
is in z’n wilde jaren.
Dat gaat er heus wel af,
hij komt wel tot bedaren.

Want wie niet heeft geleerd
om zich aan te passen.
Wie zich niet heeft bezeerd,
die wordt ook niet volwassen.

En het labyrint,
het oerwoud van je dromen,
waar jij op eigen kracht
doorheen moest zien te komen,

dat hebben ze bedekt
met platgewalste wegen.
De dingen die je zocht
die kom je daar niet tegen.

Alleen beton en glas
in lijnrechte kantoren
waar geen zuchtje wind,
geen vogel is te horen.

Daar zit je kortgeknipt
en netjes gladgeschoren,
gewassen en verschoond.
Een mens is ons geboren.

Het kind heb je heel diep
onder je huid verborgen,
maar ’t beweegt nog wel,
’t is nog niet gestorven.

Het kind heb je heel diep
onder je huid verborgen,
maar ’t beweegt nog wel,
’t is nog niet gestorven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.