De leeuw en de gazelle

Niet ver van de drinkplaats lag meneer de Leeuw vanuit een hinderlaag te loeren naar een familie gazellen die daar hun dorst kwamen lessen. Vader en moeder Gazelle waren op hun hoede, maar de kinderen Gazelle dartelden vrolijk in het rond. Vooral het oudste kind leek de Leeuw een smakelijk hapje. Ze zat al goed in het vlees, maar had ook nog die jeugdige vitaliteit, die het vlees mals en sappig maakt. Uit louter levensvreugde maakte ze de mooiste sprongen en wat de Leeuw het meest trof waren haar grote, glanzende gazellenogen. Toen hij die zag, werd hij helemaal week van binnen en hij raakte ervan in verwarring. Zo’n mooie en blije gazelle had hij nog nooit gezien. Wat danste ze mooi en wat sprong ze sierlijk. Bijna vergat hij waarvoor hij in die hinderlaag lag. Hij had namelijk al dagen lang niet gegeten. Wat mals gazellenvlees zou meer dan welkom zijn.
Ondertussen maakte de familie Gazelle zich op om verder te trekken. Het oudste kind, warm geworden van het springen, liep terug naar het water om nog wat verkoeling te zoeken. Op dat moment zag de Leeuw zijn kans schoon. Terwijl zij aan het drinken was sloop hij dichterbij, en stoof toen plotseling in de hoogste versnelling op haar af. Maar toen hij zijn klauwen in haar sloeg, voelde hij plotseling een soort verlamming in zijn poot. Het jonge gazellemeisje draaide haar kop naar hem toe en hij keek van dichtbij in haar grote, glanzende, reebruine ogen. En in plaats van een lekker stuk uit haar billen te bijten, trok hij zijn poot terug en deed niets. Het vreemdste was echter dat ook de gazelle niets deed. Ze sprong niet op en rende niet weg. Het leek wel of ze helemaal niet bang voor hem was. Zo keken ze elkaar een hele tijd aan.
‘Moet je niet naar je vader en moeder?’ zei de Leeuw tenslotte.
‘Nee,’ zei het gazellemeisje.
‘Nou, kom dan maar met mij mee,’ zei de Leeuw.
En zo kwam het dat het gazellemeisje haar intrek nam in het hol van de Leeuw.

Meneer de Leeuw was heel tevreden met zijn nieuwe leven. Hij hoefde nu niet overal zelf meer voor te zorgen. Als hij bezweet en modderig thuis kwam van de jacht, waste zij zijn kleren. Ze maakte het vlees klaar en diende het voor hem op. Daarna ruimde ze de tafel af en waste ze de vuile vaat. En ’s avonds kroop ze bij hem in bed en keek hem aan met haar grote gazellenogen, zodat hij een raar gevoel kreeg van binnen en niet wist of hij haar vast wilde pakken en aflikken of misschien toch maar opeten.
Zo leefden ze samen gelukkig en tevreden. Mevrouw Gazelle deed het huishouden en ze neuriede erbij. Ze vindt het fijn, dacht meneer de Leeuw. En hij vond het fijn dat zij het fijn vond. En het fijnst vond hij het dat ze hem van die lekkere kopjes koffie bracht als hij zat te werken. Aan de andere kant was het nadeel dat ze de hele dag bezig was en maar weinig tijd voor hem overhield. Hij wilde zo graag dat ze ’s avonds met hem danste, zoals ze dat vroeger deed, maar daar was ze meestal te moe voor. Hoe moest hij dat probleem oplossen? Hij piekerde en piekerde en tenslotte wist hij wat hem te doen stond.
Op een dag kwam hij naar huis met een heel groot pak, bijna zo groot als hijzelf. Hij sleepte het met veel gehijg naar binnen, de keuken in en haalde de kartonnen verpakking eraf. Er kwam een groot, vierkant, wit ding te voorschijn.
‘Wat is dat?’ vroeg mevrouw Gazelle.
‘Geen fiets,’ zei meneer De Leeuw.
‘Nee, dat zie ik ook wel,’ zei mevrouw Gazelle. ‘Maar wat is het dan?’
‘Een afwasmachine.’
Mevrouw Gazelle verstond hem niet goed. ‘We hebben toch al een wasmachine?’ zei ze verbaasd. ‘Moeten we nou twee wasmachines hebben?’
‘Dit is geen wasmachine, maar een afwasmachine. Je doet de vuile borden en pannen erin, je drukt op dat knopje en dan gaat alles vanzelf.’
Mevrouw Gazelle gaf niet meteen antwoord. Ze bleef een tijdje staan nadenken. En toen zei ze:
‘En wat doe ik dan?’
‘Jij hoeft niets te doen. De machine doet alles.’
Meneer de Leeuw keek haar met een trotse glimlach aan. Dat had hij toch maar mooi voor elkaar.
‘Maar wat moet ik dan doen?’ herhaalde mevrouw Gazelle en in haar mooie gazelleogen verscheen een wantrouwende uitdrukking.
Meneer de Leeuw werd daar een beetje onzeker van. ’Ben je er niet blij mee?’ vroeg hij.
‘Als die machine mijn werk doet, wat moet ik dan doen?’ De anders zo vriendelijke stem van mevrouw Gazelle klonk nu helemaal niet zo vriendelijk meer.
‘Nou, zei meneer de Leeuw, dan kun je in de tussentijd lekker met mij gaan dansen. Dansen, dat doe je toch zo graag?’
Maar mevrouw Gazelle had helemaal geen zin om naar meneer de Leeuw zijn pijpen te dansen. Ze voelde zich aan de kant gezet door die machine, die haar plaats kwam innemen.
‘Ik vind het helemaal niet vervelend om af te wassen,’ zei ze. En dat was ook zo. Ze vond het juist prettig om na het eten in de keuken te staan, met haar buik tegen het aanrecht en haar handen in het warme water dat zo gezellig klotste. Ze neuriede er ook altijd bij. En al was mevrouw Gazelle van nature heel braaf en meegaand, nu protesteerde ze.
‘Ik hoef dat ding niet,’ zei ze. ‘Ik doe het liever zelf. En dat is ook veel goedkoper. Wat kost zo’n machine niet en hij gebruikt vast ook veel meer water dan ik. En stroom. Ik gebruik helemaal geen stroom. Ik vind het zonde van het geld. Het is gewoon verspilling.’
Nu werd meneer de Leeuw boos. Had hij daarvoor al die moeite gedaan! Hij schoof de vaatwasser tegen de muur aan en gooide de verpakking in de bijkeuken.
‘Morgen komt de loodgieter om hem aan te sluiten,’ zei hij nors.
‘Laat de loodgieter hem dan maar weer meenemen. Ik wil hem niet.’
Het gezicht van meneer de Leeuw liep rood aan.
‘Jij hebt niks te willen,’ schreeuwde hij.
‘Ik wil dat ding niet,’ krijste mevrouw Gazelle.
Meneer de Leeuw probeerde haar nog één keer uit te leggen, wat het nut is van een afwasmachine, maar mevrouw Gazelle luisterde niet. Ze praatte gewoon door hem heen en daar kon meneer De Leeuw absoluut niet tegen. Als hij aan het woord was, dan moest iedereen zijn mond houden. Voor hij besefte wat er gebeurde schoot zijn poot uit en het volgende ogenblik lag mevrouw Gazelle languit op de keukenvloer.
Toen ze weer bij haar positieven kwam, was meneer de Leeuw verdwenen. Ze krabbelde overeind. Ik heb dit niet goed aangepakt, dacht ze. Laat hij dat ding maar installeren. Als ik hem niet gebruik, waait het na een tijdje vanzelf over.
Zo gezegd, zo gedaan. Mevrouw Gazelle bleef de afwas gewoon met de hand doen, in een teiltje in de gootsteen, en de vaatwasser stond er werkeloos bij.
En wat heb ik hiervan geleerd? dacht mevrouw Gazelle op een dag. Het verstandigste is om gewoon toe te geven en ondertussen mijn eigen zin te doen.

Een tijdlang ging alles goed. Totdat meneer de Leeuw op een dag weer met een cadeau aankwam. Deze keer was het niet erg groot. Het zat niet in karton maar in een tas met een rits.
‘Wat is dat?’ vroeg mevrouw Gazelle.
‘Dat is een computer. Daar kun je van alles meedoen,’ zei meneer de Leeuw terwijl hij het ding uit zijn hoes haalde.
‘Wat dan?’ vroeg mevrouw Gazelle.
‘Nou, brieven schrijven en versturen, om maar iets te noemen. Ik zal het je laten zien.’
Meneer de Leeuw klapte de computer open en drukte op een paar knoppen tot er een plaatje tevoorschijn kwam. Daarna begon hij te tikken.
‘Beste mevrouw Gazelle,’ las mevrouw Gazelle, terwijl de letters op het scherm verschenen. ‘Beste mevrouw Gazelle, met dit prachtige apparaat kun je in een mum van tijd een brief tikken en wegsturen. En een halve minuut later wordt hij al bezorgd.’
Mevrouw Gazelles mooie gazelleogen werden alweer wat minder mooi.
‘Ik kan niet tikken, zei ze, nooit gekund.’
‘O, dat heb je zo geleerd,’ zei meneer de Leeuw.
‘Ik niet,’ zei mevrouw Gazelle. ‘Ik heb vroeger nog op Schoevers gezeten voor een cursus typen, maar ik werd er zo nerveus van dat ik de helft missloeg. Ik heb geen gevoel voor die dingen. En bovendien, ik schrijf liever een brief met de hand, dat is ook veel persoonlijker. En het kost bijna niets, een paar cent voor het papier en de envelop en een postzegel. Ik heb helemaal geen computer nodig. Maar gebruik jij hem maar, voegde ze er haastig aan toe, toen ze het gezicht van meneer de Leeuw alweer rood zag worden, jij bent er vast heel handig mee.’
‘Wat ben jij een stom mens,’ mopperde meneer De Leeuw. Waarom kun je de verworvenheden van het moderne leven niet appreciëren? Wat ben je toch ouderwets.’
‘Ik ben ouderwets omdat ik van tradities hou. Wat is daar mis mee? Ik was graag met de hand af en ik schrijf graag brieven met de hand. Ik hoef die apparaten niet.’
Meneer de Leeuw voelde dat zijn poot alweer begon te jeuken, daarom draaide hij zich om zonder antwoord te geven en liep de kamer uit.

Een tijdlang ging alles goed. Mevrouw Gazelle deed het huishouden met de hand en meneer de Leeuw zat op zijn kantoortje met de computer te spelen.
Fijn dat hij er zo’n plezier in heeft, dacht mevrouw Gazelle. Zolang hij boven zit, kan ik hier mijn gang gaan.
Zoals jullie al gemerkt hebben is dit een sprookje en in sprookjes gebeuren de dingen altijd in drieën. Dus kwam meneer De Leeuw na een tijdje weer met een cadeau. Deze keer was het een heel klein cadeautje, je kon het in je broekzak stoppen. Het zat in een zwart plastic doosje. Hij maakte het doosje open. Er kwam een ding uit dat mevrouw Gazelle nog nooit gezien had.
‘Wat is dat nou weer?’ zei ze. En ondertussen dacht ze: de cadeautjes worden alsmaar kleiner, wat zou dat betekenen?
‘Dit is een telefoon,’ zei meneer de Leeuw.
‘Een telefoon?’ Mevrouw Gazelle begon een beetje zenuwachtig te lachen. ‘Hoe kan dat nou, gekkie, er zit niet eens een draad aan.’
‘Dat hoeft niet, zei meneer De Leeuw, deze telefoon is draadloos.’ Hij haalde een heel klein dingetje uit zijn zak, mevrouw Gazelle kon niet goed zien wat het was, want het verdween bijna tussen de dikke vingers van haar echtgenoot. Die maakte de telefoon open en stopte het dingetje erin. Daarna gaf hij de telefoon aan zijn vrouw.
‘Zo, zei hij, nu kan je bellen.’
Mevrouw Gazelle keek hem ongelovig aan. ‘Echt waar? En wie moet ik dan bellen?’
‘Wie je wilt. Bel jezelf maar.’
Mevrouw Gazelle proestte van het lachen. ‘Mezelf bellen? Hoe kan dat nou? Hou je me soms voor de gek?’
Meneer de Leeuw pakte de telefoon terug en toetste een nummer in. Even later begon het grote, zwarte telefoontoestel dat naast de bank op het bijzettafeltje stond hard te rinkelen. Mevrouw Gazelle hield haar ene hand voor haar van verbazing opengevallen mond en met haar andere hand wees ze ongelovig naar de telefoon op het bijzettafeltje.
‘Neem maar op,’ zei meneer de Leeuw terwijl hij naar de gang liep. Hij deed de deur achter zich dicht.
‘Heb je opgenomen?’ riep hij door de dichte deur. ‘Hoor je me?’
‘Ja, natuurlijk hoor ik je.’
‘Nee, maar hoor je me door de telefoon?’
Mevrouw Gazelle drukte de hoorn tegen haar oor en riep heel hard, alsof ze door een dichte deur moest praten: ‘Hoor je me?’
‘Je hoeft niet zo te schreeuwen,’ zei meneer de Leeuw op de gang. ‘Ik hoor je wel. Hoor je mij?’
Mevrouw Gazelle was zo verbijsterd door dit wonder, dat ze alleen maar herhaalde: ‘Hoor je mij?’ Verder kon ze geen woord uitbrengen. Dit was wel het raarste dat ze ooit had meegemaakt. Een telefoon waarmee je jezelf kon bellen. Maar, dacht ze, nu staat meneer de Leeuw op de gang. Maar als hij er niet is en ik bel mezelf. Moet ik dan tegen mezelf praten? En wat moet ik dan tegen mezelf zeggen?
In het geval van mevrouw Gazelle was dit een beetje vreemde gedachte, want ze praat al jaren tegen zichzelf. Dus waar maakt ze zich druk over? Ze praat zelfs tegen mensen die er niet zijn. ’s Avonds gaat ze voor de televisie zitten en dan praat ze tegen de televisie. Meneer De Leeuw kan het horen, ook als hij in de slaapkamer is.
‘Wat is dat nou voor onzin, hoort hij haar heel hard zeggen. Dat is helemaal niet waar. Welnee, belachelijk.’ Elke avond voert ze hele gesprekken met die mensen in dat kastje. Televisie is het enige apparaat waaraan ze geen hekel heeft. Voor haar is het namelijk geen apparaat, maar een verlengstuk van haar zithoek, een soort uitbouw, zogezegd, en daar zitten mensen die bij haar op bezoek zijn en de stomste dingen beweren. Mevrouw Gazelle houdt niet van apparaten, maar wel van mensen, van alle mensen, zelfs degenen met wie ze het hartgrondig oneens is. Ze is een echte mensenvriend en daarom houdt ze ook van de televisie.
Maar nu komt meneer de Leeuw de woonkamer weer in. Hij geeft haar de telefoon.
‘Die moet je altijd bij je hebben, zegt hij. In je handtas of in je jaszak. Als er dan wat is, kun je me bellen.’
Mevrouw Gazelle staat hem aan te staren met de telefoon in haar hand. Ze antwoordt niet. Ze mag dan ouderwets zijn, maar ze is niet gek. Als ik hem altijd kan bellen, denkt ze, dan kan hij mij ook altijd bellen. En dan wil hij natuurlijk weten waar ik ben en wanneer ik thuiskom.
En dat was precies wat er gebeurde. Als ze van huis ging, vroeg meneer de Leeuw steevast: ‘Heb je je telefoon bij je?’ En als ze op stap was belde hij haar regelmatig en vroeg: ‘Waar ben je nu? Wanneer kom je thuis?’
Dat beviel mevrouw Gazelle allerminst. Want soms mocht haar man helemaal niet weten waar ze was. Dat zit zo. Zoals gezegd was mevrouw Gazelle ouderwets. Ze was opgegroeid in een tijd dat we allemaal arm waren en ze had geleerd om zuinig te zijn met geld. Alles wat ze uit kon sparen, spaarde ze uit. Dus als ze naar de stad ging nam ze soms niet de bus, maar dan ging ze liften. Dat scheelde weer een buskaartje. Meneer de Leeuw mocht dat absoluut niet weten. Als ze in haar oude regenjas uit de kringloopwinkel met haar duim omhoog langs de weg stond, was ze altijd bang dat meneer de Leeuw langs zou komen in zijn mooie auto en haar zou zien. Wat zou hij dan kwaad worden! De echtgenote van meneer de Leeuw die staat te liften. Wat een blamage! En nog erger: Stel je voor, dat hij haar belde en ze zat net in de auto met een vreemde man die haar een lift gaf. Hoe zou ze zich daaruit moeten redden? Hij zou vast en zeker denken dat ze hem bedroog. Wat hij dan zou doen, daar durfde ze niet eens aan te denken.
En toch, ondanks deze angsten bleef ze buskaartjes uitsparen. Gewoonweg omdat ze het niet kon laten. Want behalve meegaand en soms zelfs een beetje onderdanig, was mevrouw Gazelle ook heel koppig. Waarom zou je geen buskaartje uitsparen, als je de kans kreeg? Maar die vermaledijde telefoon maakte het allemaal wel erg moeilijk. Voor haar gevoel was dat ding helemaal niet draadloos. Sinds ze die telefoon bij zich had, had ze het gevoel dat ze vastzat aan een hele lange, onzichtbare draad en aan het andere eind van de draad zat meneer De Leeuw en hoe verder ze van huis ging, hoe harder hij trok. Ik lijk wel een hond, dacht ze, en die telefoon is de hondenlijn. Onverdraaglijk.
En op een dag, toen ze weer eens op stap was en meneer De Leeuw belde weer om te vragen waar ze was, smeet ze de telefoon uit ergernis midden in het gesprek in een afvalbak.
‘Ik hoor je niet meer, zeg eens wat, ik zou graag willen weten wanneer je thuiskomt, ik heb zin in een kopje koffie,’ klonk de stem van meneer de Leeuw van tussen de lege hamburgerdoosjes, de frietzakjes met klodders mayonnaise en de snotzakdoekjes.
‘Zet jij zelf maar eens koffie,’ mompelde mevrouw Gazelle en terwijl ze verder liep voelde ze zich al een stuk beter. Als hij vraagt waarom ik geen antwoord gaf, dacht ze, dan zeg ik dat iemand mijn telefoon heeft gestolen. En als hij dan een andere voor me koopt, gooi ik die ook weer weg. Lekker puh! Donder toch op, zeg. Ik hoef mezelf niet te bellen en hij hoeft me ook niet te bellen, tenminste niet als ik op stap ben. Zo. En nou ga ik lekker ergens koffie drinken en een taartje eten.

De tijd verstreek en mevrouw Gazelle woonde nu al vele jaren in het hol, ik bedoel het huis van de Leeuw. En hoe ouder ze werd hoe sneller leken de dagen, de maanden en de jaren voorbij te gaan. Hoe komt dat toch? dacht ze. Vroeger duurden de dagen veel langer, er kwam soms geen eind aan en nu vliegen ze voorbij. Voor je het weet ben je alweer tien jaar ouder. En ze dacht vaak aan de tijd van haar jeugd, aan haar zusje en broertje. Hoe ze ’s avonds na het eten onbezorgd rondsprongen en elkaar achterna zaten en soms in de bosjes duwden. Mevrouw Gazelle glimlacht als ze aan die tijd terugdenkt en haar mooie gazelleogen beginnen te glanzen.
Ondertussen zit meneer de Leeuw vaak alleen thuis met een zelf gemaakt kopje koffie, dat lang niet zo lekker smaakt als de koffie van mevrouw Gazelle.
Ook meneer de Leeuw peinst over vroeger. Hij ziet haar weer voor zich bij die drinkplaats. Hoe jong en dartel ze was en hoe sierlijk ze danste. Waarom danst ze nooit meer met hem? Waarom gaat ze ’s avonds weg om ergens anders te dansen? Mag hij soms niet weten met wie ze gaat dansen? Bij die gedachte voelt meneer De Leeuw een soort hittegolf die vanuit zijn borst omhoog stijgt. Zijn gezicht wordt rood en in zijn hoofd raakt alles door de war. Zijn hand begint te trillen en als hij zijn kopje koffie wil pakken, stoot hij het om. De koffie stroomt over de tafel en druipt omlaag op de grond. Ik moet zo niet denken, probeert hij zichzelf gerust te stellen. Zo is mijn gazellemeisje niet. Zij danst niet met andere mannen. Ik moet me beheersen. Gewoon rustig wachten tot ze thuiskomt. De lijn een beetje laten vieren anders knapt-ie.
En toen gebeurde er iets met meneer de Leeuw dat hij nog nooit had meegemaakt. Terwijl hij op de grond knielde en met een vaatdoek de koffie opdweilde, kreeg hij in die nederige positie een visioen, een soort epifanie, oftewel een piekervaring, net zoals de apostel Paulus op de weg naar Damascus. Hij hoorde een stem die zei: Waarom achtervolg je mij? Tegelijk voelde hij een vreemde tinteling in zijn handen en in zijn hoofd werd alles ruim en licht. En plotseling besefte hij, wat voor een hemels genoegen mevrouw Gazelle eraan beleefde om te vegen, te boenen, te schrobben en te dweilen. Om af te wassen in een teiltje, om sokken te stoppen, overhemden te strijken en koffie te zetten. Alles met de hand. Meneer de Leeuw keek naar zijn handen. Het waren grote, sterke handen, waarnaar hij nooit echt gekeken had. En hij dacht met een zekere schaamte terug aan die keer dat zijn hand was uitgeschoten… En daarna dacht hij: Wat een prachtig instrument is dat eigenlijk, een hand. Wat kun je allemaal niet doen met een hand? Er is toch geen enkele machine die alles kan wat een hand kan. En omdat hij de neiging had om nogal plechtig te doen, zei hij tegen zichzelf:
‘Wij moeten de hand in ere houden.’
En zo kwam het dat hij de volgende dag tegen mevrouw Gazelle zei:
‘Ik heb mij voorgenomen om alle apparaten het huis uit te doen. De wasmachine, de vaatwasser, de stofzuiger, de waterkoker, de computer, het koffiezetapparaat. Alles.’
‘Waarom?’ vroeg zijn vrouw verbaasd.
‘Omdat wij de hand in ere moeten houden.’
Wat krijgen we nou weer? dacht mevrouw Gazelle.
‘Ik meen het echt,’ zei meneer de Leeuw. ‘Wat vind je ervan?’
‘Oké,’ zei ze. ‘Maar niet de televisie.’
‘Niet de televisie,’ herhaalde meneer De Leeuw en hij legde zijn sterke arm rond haar slanke gazelletaille. ‘Maar vanavond gaan wij geen televisie kijken,’ vervolgde hij. ‘Vanavond gaan wij iets anders doen. Vanavond ga jij met mij dansen.’ En met die gedenkwaardige woorden duwde hij haar de slaapkamer in.
‘Oeioeioei,’ giechelde mevrouw Gazelle.
En zo gebeurde het. Nog net op tijd, want anders dan in de meeste sprookjes leefden ze niet zo lang meer. Maar wel gelukkig.

© Ferenc Schneiders

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.